Placeholder image

’Bij elk kind met een stoornis zijn stappen te zetten’

22 april 2017
Veertig jaar begeleidde en coachte hij ouders en leraren van kinderen met ontwikkelings- en gedragsstoornissen. Daarbij betekende hij veel voor de ontwikkeling van speciaal onderwijs in de Leids/Alphense regio en Duin- en Bollenstreek. Nu neemt hij afscheid van het Pedologisch Instituut en de daaraan verbonden speciale school De Brug. Leidenaar Koen van Zoest, die vanwege werk en hobby een hoge koninklijke onderscheiding kreeg, blikt terug. (Bron: Leidsch Dagblad, 22 april 2017)
Geen pries­ter "Ik ben op­ge­groeid in Bos­koop. Mijn va­der had een klei­ne boer­de­rij. Ik kon goed le­ren, en als kind van een 'ech­te ka­tho­lie­ke fa­mi­lie' werd ik al vroeg 'ge­spot' door school en kerk. Zo­doen­de ging ik op m’n twaalf­de naar het klein se­mi­na­rie Leeu­wen­horst in Noord­wij­ker­hout om pries­ter te wor­den. Ik zag het als een uit­da­ging, een avon­tuur.

Maar de tijd be­woog met mij mee. In die ja­ren ’60 von­den er ook in de kerk enor­me ver­an­de­rin­gen plaats, en het klein se­mi­na­rie werd een ge­woon in­ter­naat. Op mijn vijf­tien­de wist ik dat ik geen pries­ter zou wor­den, maar ik kon er wel het gym­na­si­um af­ma­ken. Om­dat ik een be­paal­de so­ci­a­le aan­leg had in de zin van: zor­gen voor en aan­dacht ge­ven aan men­sen, voor wie ik iets wil­de be­te­ke­nen, heb ik voor de stu­die pe­da­go­giek ge­ko­zen.”

Ge­luk

"Tij­dens mijn stu­die raak­te ik ge­fas­ci­neerd door de vraag waar­om zich bij de ont­wik­ke­ling van som­mi­ge kin­de­ren be­paal­de stoor­nis­sen voor­de­den. Daar­om koos ik voor de or­tho­pe­da­go­giek: de pe­da­go­giek die zich richt op pro­ble­ma­ti­sche op­voe­dings­si­tu­a­ties.

Ik had het ge­luk dat ik als stu­dent-as­sis­tent te­recht­kwam bij Ina van Ber­c­ke­laer-On­nes, dé pi­o­nier en au­to­ri­teit op het ge­bied van au­tis­tis­me. Bij haar heb ik on­ge­lo­fe­lijk veel ge­leerd over dia­gnos­tiek en kreeg ik al veel con­tac­ten met de scho­len.”

Au­tis­me?

„De term au­tis­me is in de Ver­e­nig­de Sta­ten in de ja­ren veer­tig voor het eerst ge­bruikt door Leo Kan­ner en – on­af­han­ke­lijk van el­kaar, van­we­ge de oor­log – door Asper­ger in Duits­land.

Bei­den wa­ren arts/­psy­chi­a­ter en het viel hen op dat er groe­pen kin­de­ren wa­ren met over­een­kom­sti­ge ver­schijn­se­len in ge­drag en emo­tie. Gaan­de­weg is er steeds meer on­der­zoek naar ge­daan en is ge­ble­ken dat er naast die over­een­kom­sten, ook veel va­ri­a­tie is. De of­fi­ciële term is nu 'Au­tis­me Spec­trum Stoor­nis', ASS. Je hebt au­tis­ti­sche kin­de­ren die zich in het re­gu­lie­re on­der­wijs goed kun­nen red­den. Je hebt er ook voor wie dat ab­so­luut niet haal­baar is. Die bij­voor­beeld nooit zul­len le­ren re­ke­nen of le­zen, of die nau­we­lijks in staat zijn om con­tact met hun om­ge­ving te ma­ken. Maar als je de om­ge­ving goed af­stemt, kun je bij elk kind stap­pen zet­ten.”

De Brug

"Ge­mid­deld kun­nen bij 'on­ze' kin­de­ren op school De Brug twee, drie dia­gno­ses per kind wor­den ge­steld. Ik weet, het klinkt idi­oot, maar dat is de sta­tis­tiek. Bij drie­kwart is dat au­tis­me. Je kunt daar­naast den­ken aan ADHD, angst­stoor­nis, leer-, hech­ting- of dwang­stoor­nis. Ge­luk­kig wordt er steeds min­der in zul­ke 'e­ti­ket­jes' ge­dacht. Wat voor­op staat, is het­geen de kin­de­ren no­dig heb­ben: wat zijn hun on­der­wijs­be­hoef­ten?

Wat wij hen bie­den, is veel be­grip en ge­duld, maar voor­al struc­tuur. Als een kind met au­tis­me te­veel prik­kels krijgt aan­ge­bo­den, of din­gen hoort die het niet kan be­grij­pen, dan wordt het in een me­cha­nis­me van 'over­le­ven' ge­duwd. Vaak re­a­geert het met angst, agres­sie, boos­heid. Het geeft een sig­naal van: ’Dit gaat niet goe­d'. Zo praat ik er ook met ou­ders en le­ra­ren over: zie het als een sig­naal, stem af hoe je kunt ver­fij­nen, ver­be­te­ren, zo­dat het kind zijn ener­gie steekt in zijn ont­wik­ke­ling in plaats van zijn boos­heid. Elk pro­bleem is te­rug te voe­ren op een ver­keer­de af­stem­ming. Iedereen heeft behoefte om zich prettig te voelen, en zeker autistische kinderen."

Maat­werk

„Er heerst bij ons op school een sfeer van zorg, com­pas­sie en het ver­trou­wen, zo­dat je met el­kaar – ou­ders, le­ra­ren en de kin­de­ren – de stap­pen, waar ik het eer­der over had, kunt zet­ten. Maar dan nog geldt voor elke leer­ling dat het maat­werk is. Er zijn on­der­ling tus­sen hen zo­veel ver­schil­len.

Er is geen al­ge­meen ’re­cept’ in de om­gang met hen, maar er zijn wel werk­za­me prin­ci­pes. Be­kend is na­tuur­lijk dat be­lo­nen be­ter is dan straf­fen. Maar dan moet je wel po­si­tief re­a­ge­ren op iets dat het kind zelf in de hand heeft ge­had. Als je zegt: ’Die som is he­le­maal goed, wat ben je slim', lijkt dat een mooi com­pli­ment, maar een kind kan den­ken: ’Wat is dat dan, slim­heid?’. Die vraag kan het heel on­ze­ker ma­ken. Be­ter is het om te zeg­gen: ’Ik zie dat je de som heel aan­dach­tig hebt ge­le­zen, je hebt er de tijd voor ge­no­men, het is je ge­lukt!’. Dan be­loon je in con­cre­te ter­men. Elk kind heeft behoefte aan een stukje autonomie. Naarmate je zelf meer kunt, voel je je meer waard.”

Re­ac­tie ou­ders

"Ie­der­een heeft vanaf het moment dat een kind ­in de wieg ligt, daar blijde en grote verwachtingen over.  Als blijkt dat het zich anders dan ge­mid­deld ont­wik­kelt, moet je al heel vroeg iets toe­ge­ven, je ver­wach­tin­gen los­la­ten. Dat zijn hele moei­lij­ke pro­ces­sen. Er komt vaak schuld­ge­voel bij kij­ken, zo van: ’Had ik die eer­ste vier jaar veel meer thuis moe­ten zijn?’ Ook is er schaam­te­ge­voel naar de om­ge­ving. Het is mak­ke­lij­ker om te zeg­gen dat je kind dys­lexie heeft dan dat het autistisch is.

Mijn er­va­ring is dat je als be­ge­lei­der of le­raar návást de ou­ders moet staan, niet in wijs­neu­ze­ri­ge, maar in steu­nen­de en ge­rust­stel­len­de zin. Als ou­ders het een­maal ac­cep­te­ren, is er ook op­luch­ting: ’Hé, er is ge­luk­kig in onze re­gio Lei­den be­ge­lei­ding voor mijn kind.”

Niet wan­ho­pen

"Nie­mand heeft het le­ven in de hand. Je moet er het bes­te van ma­ken. Ook ik heb mijn te­leur­stel­lin­gen, ie­der­een krijgt daar vroeg of laat mee te ma­ken. Als je dát kunt ac­cep­te­ren en er het bes­te van maakt.? Ik zou erop wil­len blij­ven ha­me­ren en wil­len mee­ge­ven aan ie­der­een, die met een stoor­nis in het au­tis­tis­me spec­trum te ma­ken krijgt: blijf po­si­tief. Er valt een hoop te be­rei­ken.”

Be­zui­ni­gin­gen

"Heel veel kin­de­ren ko­men met de taxi van­uit de Duin- en Bol­len­streek en de Alp­hen­se re­gio

naar één van de spe­ci­a­le scho­len in Lei­den. Ze zit­ten mi­ni­maal een half uur, maar vaak lan­ger, in de taxi. Som­mi­gen wor­den al om kwart over ze­ven op­ge­haald. Dan rol­len ze om kwart over acht het school­plein op. Dat komt om­dat, waar er vroe­ger klei­ne taxi­bus­jes met zo­wel een chauf­feur als een be­ge­lei­der re­den, van­we­ge de be­zui­ni­gin­gen een chauf­feur te­gen­woor­dig in een gro­te­re bus maar liefst acht kin­de­ren on­der zijn hoe­de heeft. Dat ter­wijl die kin­de­ren al zo prik­kel­ge­voe­lig zijn.

Ik be­grijp het al­le­maal wel, van die be­zui­ni­gin­gen, maar voor veel kin­de­ren is het be­paald geen ide­a­le start van de dag. Op z’n zachtst ge­zegd. Zie als le­raar de struc­tuur maar weer te­rug te krij­gen.”

Sa­men­wer­ken

„Je hebt in de Leid­se re­gio op het ge­bied van spe­ci­aal on­der­wijs nu de Kor­te Vliet­school, de Ther­miek, Au­ris, Ori­on, De Brug, Leo Kan­ner­school en De Vlie­ger. Dat is veel; te ver­war­rend.

Som­mi­ge col­le­ga's zul­len zeg­gen: 'Daar heb je Koen weer!’. Maar ik pleit er al een jaar of vijf voor dat al die scho­len veel meer zou­den moe­ten sa­men­wer­ken, in plaats van, zo­als tot nu toe, geďso­leer­de ei­land­jes zijn. Dan zou je één voor­deur, één adres heb­ben waar alle ou­ders en ba­sis­scho­len te­recht­kun­nen. Daar wordt dan be­ke­ken wel­ke school het bes­te bij hun kind past.

Het zal nog een jaar of vijf, tien, du­ren, maar dan hoop ik in het Leidsch Dag­blad te le­zen dat die sa­men­wer­king een feit is. Vol­gend jaar is er voor het eerst een ge­za­men­lij­ke stu­die­dag voor alle do­cen­ten van het spe­ci­aal on­der­wijs in de re­gio. Dat is een goed be­gin.”

Be­won­de­ring

"Toen ik on­langs een lint­je kreeg, heb ik dat in mijn toe­spraak op­ge­dra­gen aan de hele ge­meen­schap van De Brug. Want het zijn ei­gen­lijk de le­ra­ren die een lint­je ver­die­nen. Zij zijn het die in het zon­ne­tje ge­zet zou­den moe­ten wor­den.

Ik heb een ein­de­lo­ze be­won­de­ring voor hen. Want de kin­de­ren bij ons op school vra­gen het ui­ter­ste van je. De vrouw of man voor de klas, daar heb je goud mee in han­den. Als jij als le­raar slecht ge­sla­pen hebt of loopt te tob­ben, dan voe­len de kin­de­ren dat feil­loos aan en wor­den ze dwars, ang­stig en on­rus­tig. En dan gaat het glij­den in de klas. De kin­de­ren kun­nen dan de vre­se­lijk­ste din­gen zeg­gen. Ik zeg in die ge­val­len: 'Luis­ter niet naar wát ze zeg­gen, hoor dat ze in nood zijn'.”

Gro­te hob­by

"Voor de Leid­se af­de­ling van de Ko­nink­lij­ke Ne­der­land­se Na­tuur­his­to­ri­sche Ver­e­ni­ging ben ik coör­di­na­tor van een werk­groep, die alle mo­ge­lij­ke wil­de plan­ten in­ven­ta­ri­seert. Ook wa­ter­be­drijf Du­nea en Staats­bos­be­heer ge­brui­ken onze ge­ge­vens voor hun be­heers­plan­nen. 

Dat in­ven­ta­ri­se­ren doen we met al­le­maal vrij­wil­li­gers, want an­ders zou het on­be­taal­baar zijn. Met name van zeld­za­me plan­ten ver­za­me­len we ma­te­ri­aal voor DNA-on­der­zoek bij Na­tu­ra­lis. Zo dien je ook weer de we­ten­schap.

In de dui­nen van Kat­wijk kijk ik ex­tra goed naar een klein een plant­je, Lig­gend berg­vlas, dat ner­gens an­ders in Ne­der­land voor­komt. Mooi? Het klein­ste plant­je is mooi, als je maar goed kijkt.”

Com­pen­sa­tie

„De na­tuur is al­tijd een gro­te com­pen­sa­tie ge­weest voor mijn werk. Ik ben na mijn af­stu­de­ren meer gaan kij­ken naar vo­gels, in­sec­ten, pad­den­stoe­len en plan­ten. Lang­za­mer­hand ben ik me gaan spe­ci­a­li­se­ren in de wil­de plan­ten, en wel spe­ci­aal de gras­sen.

Het is heer­lijk om bui­ten in de na­tuur 'door te waai­en'. Door om­stan­dig­he­den kun­nen we geen ver­re rei­zen ma­ken. Als je dan in een duin­pan­ne­tje zit om plant­jes te be­stu­de­ren in vol­maak­te stil­te, op nog geen half uur fiet­sen van huis, kun je daar zo­veel in vin­den.

Je hebt heel veel wil­de plan­ten, in alle soor­ten en ma­ten. Be­paal­de plan­ten zijn ge­voe­lig voor in­vloe­den uit de om­ge­ving – net als kin­de­ren. Die plan­ten gaan een be­paald ge­drag ver­to­nen dat we lie­ver niet zien. Ze gaan óf woe­ke­ren of juist ver­dwij­nen.

Dan heb je in één klap de es­sen­tie van zo­wel mijn hob­by als werk. Dáár ligt dan weer de over­een­komst tus­sen die twee we­rel­den.”

Los­la­ten?

„Of ik mijn werk kan los­la­ten? Ik denk het wel. Ik ver­keer in de ge­luk­ki­ge om­stan­dig­heid dat ik de laat­ste ja­ren op school me meer op de ach­ter­grond heb kun­nen te­rug­trek­ken. 

Ik heb zo­veel men­sen om me heen ge­zien die full­speed aan het werk wa­ren en in­eens, pats boem, was het over. Maar ik heb er ook veel mee­ge­maakt die de laat­ste ja­ren op hun werk in de 'be­zem­kast' za­ten. Wie heeft het ge­luk zijn werk­za­me le­ven zo af te slui­ten?”